Certificering

Explosieveilige transformatoren

Wij streven ernaar om explosieveilige draagbare transformatoren op voorraad te hebben. Belt u ons voor meer details.

Enige technische informatie m.b.t. onze explosieveilig materiaal

Optilight levert het volgende explosieveilige materiaal:

Verder bieden wij ook bovenstaande producten te huur aan en kunnen wij voor u het onderhoud uitvoeren.

Meer over onderhoud.

Hieronder vindt u enige technische informatie in willekeurige volgorde. Mocht u meer willen weten, aarzelt u niet ons te benaderen.

Series 50

Series 50 werklampen bestaan uit een aluminium H-profiel met een buis van antistatisch polycarbonaat.
Dit maakt de lamp licht van gewicht en tegelijkertijd stijf en robuust. Het armatuur is waterdicht (IP67). Als lichtbron worden fluorescentiebuizen van Osram gebruikt. Dit zijn u-vormige buizen en ten aanzien van het vermogen compact van lengte. Dankzij een goede ophanging van de buisjes aan beide zijden is het armatuur zeer goed bestand tegen schokken en vallen en wordt het veel voorkomende afbreken bij de lampvoet voorkomen. De voorschakelapparaten of ballasten zijn van het industriele solide type: schokvast, bestendig tegen koude, hitte en vocht en ontworpen om spanningsverschillen op te kunnen vangen. Om de betrouwbaarheid te verhogen heeft elke fluorescentiebuis zijn eigen ballast.

Series 50 LED

De nieuwe Series 50 zijn m.b.t. constructie en opbouw nagenoeg identiek aan de bovenstaande Series 50 werklampen met fluorescentiebuizen. De voordelen van deze lampen zijn, naast de bekende voordelen van LED (energiezuinig, schokvast enz.): betere certificering: T4 ipv T3 en een ruimere werkspanning bereik. Het 230V model werkt op een spanning van 110VAC/DC tot 230V, het andere op zowel 24VAC/DC tot 42VAC/DC.

Series 70

Bericht volgt.

De lichtbron

Het grootste deel van onze werklampen hebben als lichtbron fluorecentielampen, met name de Compact fluorecentielampen (DULUX L 36W/840 2G11 FS1) van Osram. Dit zijn u-vormige buizen met een lampvoet aan één zijde. Deze aansluiting is voorzien van vier polen. Het voordeel van deze buis, is mooi egaal wit licht van 4000 K en relatief veel vermogen uit een kleine inbouwlengte. Als de buis goed in het armatuur is verankerd is het geheel uiterst robuust. Halogeenlampen zijn namelijk geen goede oplossing voor werkverlichting: deze lichtbronnen zijn te kwetsbaar voor slag of stoot, worden te heet, geven te geel en te plaatselijk licht en verbruiken teveel energie. Naast fluorecentielampen hebben wij ook armaturen met LEDs. Zowel fluorecentielampen als LEDs zijn betrouwbaar en, hebben, mits goed behandeld, een lange levensduur: een buis tot 10.000 uren, een LED tot meer dan 40.000 uren. Voorwaarde bij een LED is wel, dat deze goed gekoeld wordt: LEDs zijn zeer kwetsbaar voor hitte en door een slecht ontworpen hitteafvoer snel beschadigd.

Voor de explosieveilige lampen Series 50 en 70 moeten de buizen, waarvan de aansluiting en dus het voetje ingegoten zijn vervangen worden door originele spareparts.

De voedingsspanning

De armaturen hebben bij zowel LEDs als fluorecentielampen ingebouwde electronica en zijn ontworpen voor industrieel gebruik. De meeste van Series 50 en 70 kunnen voor één van de volgende spanningen worden gebruikt: 230VAC, 110VAC/DC, 42-48VAC/DC, 24VAC/DC of zelfs op aanvraag 115V/400 Hz, 12VAC of 12VDC. De toegestane spanningfluctuaties is formeel ±6%, maar in overleg is meer ook mogelijk. In geval van twijfel, kunt u ons contacteren. In het geval van wisselspanning (AC) is meestal een grote frequentievariatie toegestaan. Ook hiervoor kunt u ons benaderen.

Doorlussen

De meeste lampen van de Series 50 en 70, kunnen worden voorzien van power-in/power-out, oftewel van een doorlussysteem. Dit betekent, dat de voedingskabel inwendig in het armatuur doorgekoppeld is aan een voedingsuitgang, bijvoorbeeld een contactdoos, een contrastekker of een tweede -uitgaande- kabel. Met behulp van deze optie kan men een reeks van lampen voeden met slechts één kabel. Minder kabels in een werkruimte maakt werken veiliger en overzichtelijker, zeker in nauwe plaatsen en een dergelijke oplossing wordt graag toegepast in bijvoorbeeld vliegtuigen, buizen, chemische catalysatoren of opslagtanks.

De standaard bekabeling in de lampen is ontworpen voor 16 Ampère. Het totale vermogen (in Watt) in de keten is volgens Ohm dus beperkt tot 16 Amp x de spanning (Volt). Voorbeeld: met een werkspanning van 24 Volt is het maximum vermogen in de gehele keten 24 x 16 = ongeveer 350 Watt. Met 12 Volt, is het maximum vermogen slechts ongeveer 175 Watt. Dit is zo’n laag vermogen dat wij bij 12 Volt geen doorlusoptie aanbieden. deze reden en wegens het gevaar van te grote spanningsdaling wordt de doorlus optie niet aangeboden voor werklampen van 12 Volt. Bovendien moet men bij 12 V ook al heel snel rekening houden met een ingezakte spanning. Daarom worden 12 Volts lampen niet geleverd met lange voedingskabels. In de praktijk ligt de grens bij 12V bij een kabellengte van 25 m (bij een vermogen van 36W) en circa 15 m bij 72W.

Belt u ons voor meer gegevens.

Aarding van explosieveilige armaturen

In gebieden met met explosiegevaar, zijn vonken in het algemeen en statische elektriciteit een dodelijke vijand. Daarom moeten draagbare lampen de volgende technische eigenschappen hebben:

  1. Niet geleidende behuizingen, zoals bij kunststof moeten geleidend worden gemaakt om de opbouw van statische elektriciteit te vermijden.
  2. Metalen delen moeten over het algemeen electrisch met elkaar worden verbonden om te voorkomen dat potentiaalverschillen een vonk veroorzaken. Dit heet vereffenen van potentiaalverschillen. Naar mate kabels langer zijn moet hier meer rekening mee worden gehouden! 

In de praktijk betekent dit vaak dat de metaaldelen moeten worden geaard.

Wees voorzichtig met statische electriciteit en bespaar geen moeite om het ontstaan ervan te voorkomen. De Series 50 en 70 en de explosieveilige zaklampen hebben antistatische eigenschappen eveneens als de door ons geleverde vuilwerende folies voor de buis en kap. De coating die voor deze antistatische eigenschap zorgt, herkenbaar aan een lichtgroene tint, moet intact zijn. Controleer de groene laag van de Serie 50 en 70 op schade of vlekken alvorens de lamp te gebruiken. Als de coating beschadigd is moet de buis of kap worden vervangen. Verder moeten de magneten en de grepen electrisch verbonden zijn en beschadigde kabels moeten worden vervangen.

In verband met hetzelfde gevaar van vonkvorming door statische elektriciteit en potentiaal- verschillen, zouden ATEX gecertificeerde lampen het liefst geaard moeten zijn of vereffening moeten hebben, zelfs die voor lage veilige spanningen (zoals voor 42V, 24V). Dit kan helaas soms strijdig zijn met SELV systemen. Het is soms bovendien ook moeilijk om contactdozen en stekkers voorzien van een aarde contact te vinden voor deze spanningen. In dergelijke gevallen is het mogelijk om de lamp van een afzonderlijke aardkabel met klem te voorzien. Belt u ons voor meer gegevens. Hiermee samenhangend: de accessoires magneet en grepen dienen meestal ook om dezelfde reden geaard te worden. Slechts in overleg kunnen deze accessoires geleverd worden in een SELV omgeving.

Voor vragen: aarzel niet om ons of uw veiligheidsambtenaar te contacteren.

Veiligheid voorop

Explosieveilige lampen van de Series 50 en 70 zijn ATEX gecertificeerd, ontworpen, geproduceerd en gecertificeerd binnen de Europese Unie.

Zij voldoen aan de nieuwste eisen en speciale aandacht gaat naar de laatste ontwikkelingen met betrekking tot bijvoorbeeld antistatische eigenschappen.

EPL

Er vindt een toenadering en omslag plaats van de Europese Normen naar de internationale IEC normen. Deze standaarden hebben een nummering vanaf EN 60079. IEC introduceerde ook de EPL: Equipment Protection Levels. Deze zgn. levels zijn Ga, Gb en Gc voor gas en Da, Db en Dc voor stofexplosiegevaar.

Indeling in een EPL loopt parallel met de aanduiding "Categorie" en heeft een link met de zone aanduiding. Zodoende is er een verband tussen de technische norm (eis aan het materieel) ATEX 95 en de in de ARBO-wet verankerde eis tot zonering (ATEX 137) bij een potentieel explosiegevaarlijke situatie. De samenhang is samenvattend als volgt:

a. Gasexplosiegevaar

- Er is vrijwel permanent een gevaarlijk gasmengsel aanwezig.
Volgens de zone indeling voorvloeiend uit ATEX 137 en Arbowetgeving (EVD) betekent dit zone 0. Dit vereist zeer veilige apparatuur (Beveilingsniveau: zeer hoog, EPL aanduiding Ga), apparatuur die dankzij twee onafhankelijke beschermingswijze zelfs bij het optreden van twee defecten geen gevaar oplevert (aanduiding volgens ATEX 95: Categorie 1). 

- Er is vaak een gevaarlijk gasmengsel aanwezig. Volgens indeling betekent dit zone 1.  Dit vereist veilige apparatuur (Beveilingsniveau: hoog, EPL aanduiding Gb), apparatuur die zelfs bij het optreden van een defect geen gevaar oplevert (aanduiding dus Categorie 2).

- Er is niet vaak en/of kortstondig een gasmengsel aanwezig: zone 2. Dit vereist apparatuur met een normaal beveilingsniveau, EPL aanduiding Gc, apparatuur die zelfs bij normaal gebruik veilig is: categorie 3.

b. Stofexplosiegevaar

De wijze van indeling is dezelfde:

- Er is vrijwel permanent stofexplosiegevaar. Volgens de zone indeling zone 20. Dit vereist zeer veilige apparatuur (Beveilingsniveau: zeer hoog, EPL aanduiding Da), apparatuur die dankzij twee onafhankelijke beschermingswijze zelfs bij het optreden van twee defecten geen gevaar oplevert: categorie 1.

- Er is vaak een stofexplosiegevaar: zone 21. Dit vereist veilige apparatuur (Beveilingsniveau: hoog, EPL aanduiding Db), apparatuur die zelfs bij het optreden van een defect geen gevaar oplevert: categorie 2.

- Er is niet vaak en/of kortstondig een stofexplosiegevaar: zone 20. Dit vereist apparatuur met een normaal beveilingsniveau, EPL aanduiding Dc, apparatuur die zelfs bij normaal gebruik veilig is: categorie 3.

Aanduiding

Met de nieuwe normen en EPL codes is de aanduiding ook anders.

II 2 GD Ex emb IIB T3 Gb
II 2 GD Ex t IIIC T 90 C Db

De aanduiding begint met de CE-markering, waarmee de fabrikant verklaart dat het product is vervaardigd in overeenstemming met alle Europese richtlijnen.

Hierna volgt het nummer van de keuringsinstantie (Notified Body, bijvoorbeeld 0537 bij VTT of 0344 bij KEMA) en de zeshoekige EX aanduiding voor de Europese Unie.

De II (romeinse 2) duidt apparaten aan geschikt voor bovengronds bedrijf.

Daarna volgt het getal van de Categorie en de letter G voor Gas en D voor stofexplosiegevaar.

EEX of EX: EEx betekent dat het volgens de oudere Europese EN 50xxx standaards is ontworpen. Indien de IEC normen (EN 60xxx) zijn toegepast zijn is de markering Ex.

Hierna volgt de een codering gerelateerd aan de bouwwijze.

De volgende code geeft de beschermingswijze tegen ontsteking van het gasmengsel weer, voor welke gasgroep het toestel is bedoeld en de temperatuurklasse (bijv. de IIC T4).

De code eindigt met de EPL aanduiding voor gas.

Hierna komt, indien van toepassing, de codering t.b.v. stofexplosieveilig materieel.

Er staan: bouwwijze, IP-waarde, de maximale oppervlaktetemperatuur van het product en de EPL aanduiding voor stof.

Enkele opmerkingen:

1. Dichting

De zogenaamde IP-waarde (Engels: Ingress Protection) is een aanduiding voor de mate van beveiliging tegen stoffen van buiten. De index heeft twee cijfers: het eerste geeft de bescherming tegen vaste stoffen aan, met een cijfer tussen 0 (geen bescherming of open) en 6 (geheel stofdicht). Het tweede is de bescherming tegen vloeistoffen, met een cijfer tussen 0 (geen bescherming) en 7 (waterdicht, ook bij langere onderdompeling).

ATEX gecertificeerd materiaal heeft minstens een waarde van IP54.

2. Categorie

De volgende categorieen worden gebruikt.
G wordt gebruikt als aanduiding voor materiaal geschikt bij gasexplosiegevaar, D voor bij stofexplosiegevaar. Verder geeft het cijfer de geschiktheid voor de zones aan, volgens onderstaande tabel:

Voor gas:
Categorie 1: voor zone 0, aanduiding II 1 G
Categorie 2: voor zone 1, aanduiding II 2 G
Categorie 3: voor zone 2, aanduiding II 3 G

Voor stof:
Categorie 1: voor zone 20, aanduiding II 1 D
Categorie 2: voor zone 21, aanduiding II 2 D
Categorie 3: voor zone 22, aanduiding II 3 D

Deze Romeinse 2 (II) geeft aan, zie boven, dat het materiaal betreft dat niet voor in de mijnen maar voor boven de grond is bedoeld. Wij hebben geen materiaal voor gebruik onder de grond (Romeinse 1, I).

 

3. De Zones

De ATEX zone indeling heeft te maken met de kans (frequentie) op gevaar.
Samenvattend:

Explosiegevaar

Gas

Stof

Vrijwel permanent

0

20

Vaak

1

21

Niet vaak, kortstondig

2

22

4. Beschermingswijze

Er zijn vele (erkende/goedgekeurde) constructiemethodes om te voorkomen dat gebruikt materiaal explosies kunnen veroorzaken. De belangrijkste constructiewijzen zijn, met name in verlichting de volgende:

EEX d (drukvast omhulsel)
Een drukvast omhulsel zal bij een optredend defect in het apparaat met als mogelijk gevolg explosiegevaar voorkomen dat de explosie zich buiten het apparaat voortplant.

EEx e (verhoogde veiligheid)
Materiaal, gebruikt bij deze beschermingswijze, wordt zelfs bij een defect geacht geen gevaar te vormen. Vaak wordt deze constructiewijze bij verlichting gebruikt in combinatie met een tweede bescherming, zoals m waarbij de electrische componenten ingegoten zijn in een beschermende massa. De aanduiding is dan em.

EEx i (intrinsieke veiligheid)
De stroom en de spanning zijn begrensd en beschermen zodoende tegen gevaar bij het optreden van een defect.

EEx ia materiaal mag geen gevaar geven, zelfs bij het optreden van een combinatie van twee defecten.

EEx ib materiaal mag geen gevaar geven bij het optreden van één defect.

5. Gasgroepen

EEx d materiaal wordt verder onderverdeeld in subgroepen of gasgroepen. Deze worden aangeduid met I, IIA, IIB, IIC waarbij IIC het hoogste, meest veilige niveau is.

6. Temperatuurklasse

De temperatuurklasse geeft de maximumtemperatuur aan het oppervlakte van het materiaal aan, in een codering tussen T1 en T6, waarbij T6 de laagste en veiligste en T1 de hoogste temperatuur is. Voor de grenswaarden, zie hieronder de tabel:

T6 85 °C
T5100 °C
T4135 °C
T3200 °C
T2300 °C
T1450 °C

7. End of Life

Een nieuwe eis  is de End of life switching off system die bepaalt dat de ballasten (voorschakelapparaten) de fluorescentiebuis af moeten schakelen voordat deze door een defect of aan het eind van zijn levensduur een te hoge en gevaarlijke temperatuur kan ontwikkelen. Vanaf juli 2007 zullen de lampen Series 50 en 70 voorzien zijn van deze voorziening. (zie IEC 60079-7:2006, 6.3.2.3)

8. Normen

Informatie

Bovenstaande informtie is slechts een beknopte weergave. Wilt u meer weten verwijzen wij naar, bijvoorbeeld, keuringsinstanties (notified bodies) of een Gecertificeerd Hoger Veiligheidskundige. Wij kunnen u naar wens in contact brengen met zo’n Veiligheidskundige.

Disclaimer.

LET OP: Bovenstaande informatie is slechts basisinformatie voor u als uitgangspunt. Voor meer gedetailleerde en uptodate informatie, gelieve de relevante autoriteiten, juiste instanties of uw veiligheidsambtenaar te contacteren. Wij sluiten elke verantwoordelijkheid betreffende de inhoud van dit document of van deze website uit.